De redzame pubers van Rio

30 september 1995

De nieuwsdienst van het ANP bracht onlangs een schokkend bericht. In Rio de Janeiro waren het afgelopen jaar 1400 straatkinderen vermoord, een nieuw record. De daders waren de 'zogeheten doodseskaders'. Het werkelijke aantal doden lag nog veel hoger, aldus het ANP-bericht, want de doodseskaders brachten 'een toenemend aantal zwervertjes' om.

Voor een goed begrip: het bericht was door meerdere handen gegaan. De bron van het bericht was Jornal do Brasil, een gedegen Braziliaanse krant die zich op haar beurt baseerde op gegevens van een gerechtshof. In Rio had het persbureau DPA (Deutsche Presse Agentur) het opgepikt uit de krant. De redactie-buitenland van het ANP had het DPA-bericht vertaald en uitgezet.

Het bericht is een voorbeeld van de onbedaarlijke onzin die regelmatig wordt verkocht over straatkinderen. Ik woon nu zes jaar in Rio de Janeiro en werk er als correspondent, ik ben het afgelopen half jaar veel opgetrokken met straatkinderen om daarover een boek voor kinderen te kunnen schrijven. De dag na publicatie van het ANP-bericht arriveerde ik in Nederland. Ik had het bericht in Jornal do Brasil ook gelezen.

De krant repte niet over straatkinderen. Het ging over 1400 menores oftewel: minderjarigen. Jornal do Brasil had wel iets geschreven over het geweld van doodseskaders, zoals de georganiseerde huurmoordenaars heten. Maar nergens stond dat doodseskaders de (enige) daders waren of vaker de pistolen lieten knallen.

Straatkinderen is een onderwerp waarbij emoties zwaarder tellen dan feiten. In de regio die ik bestrijk, heb je een aantal onderwerpen met een hoog ach-en-wee-gehalte. De kopgroep bestaat uit: dode beesten, dode bomen (bij voorkeur in de Amazone), indianen (bij voorkeur uitstervend) en straatkinderen (levend, maar liefst dood).

Het zijn onderwerpen waarmee je als journalist met een minimum aan inzet en nieuws, een maximaal effect kunt sorteren. Tevens is het een onderwerp met een duidelijke rolverdeling. Wie de goeden en wie de slechten zijn, weet de lezer meteen. Ook zónder dat hij begrijpt hoe het precies zit. Meestal wordt dat ook maar half verteld. De werkelijkheid is namelijk complexer, en ook minder sensationeel dan de huilerige verhalen doen vermoeden.

Ik verwonder mij regelmatig over de selectieve belangstelling in Nederland. Waarom wil men niets horen over een dode landarbeider en alles over een dood dier? Waarom dat selectieve moralisme? Ik houd ook veel van kinderen, maar kan iemand mij uitleggen waarom de moord op een straatkind erger is dan die op de toegewijde vader van vier kinderen? Waarom dreigde het Europees Parlement met stopzetting van alle hulpgelden aan Brazilië vanwege de moord op straatkinderen? Waarom hoorde je de vingeropheffers niet bij de slachtpartij (111 doden) in de gevangenis Carandiru te São Paulo? Toen ik dat een keer hardop zei vroeg een collega mij: 'Maar vind je de moord op straatkinderen dan niet erg?'

Iedere relativering en zelfs iedere kritische vraag lijkt verraad aan de goede zaak. Het is dezelfde argwaan die je ten deel valt als je met goede reden zegt dat bomen kappen niet per se slecht hoeft te zijn voor het Amazonewoud. Als je niet tegen bent, ben je voor.

In verband met mijn kinderboek bezocht ik een organisatie in Rio de Janeiro die straatkinderen juridisch advies geeft. De instelling, een actieve club, was met grote koppen in het nieuws geweest met een onderzoek waaruit was gebleken dat politieagenten de voornaamste moordenaars waren van straatkinderen in Rio de Janeiro.

Het bleek allemaal net iets genuanceerder te liggen. Bij de organisatie waren sinds 1992 de gevallen van negentien vermoorde straatkinderen aangebracht en dat was als 'onderzoek' gepresenteerd aan de pers. Toen ik de namenlijst naliep, bleken het er zeventien te zijn; er stonden twee volwassenen bij. Het ging niet over Rio de Janeiro, maar eigenlijk alleen over het centrum van de stad. In slechts één geval was de politie beschuldigd en ook veroordeeld. In de andere gevallen betrof het een onbewezen vermoeden (van de organisatie) over haar betrokkenheid.

'Maar hoeveel straatkinderen zijn er dan sinds 1992 in het centrum vermoord?' vroeg ik. Een logische vraag, leek me. Tenminste als je concludeert dat de meesten door agenten zijn vermoord. Dat wist men niet, legde de coördinator uit. Maar dat deed er ook niet toe. 'Onze bedoeling is de Brazilianen bewust te maken van het probleem. Dan moet je een harde uitspraak doen.'

Hoe zit het dan werkelijk met die straatkinderen in Brazilië? Om te beginnen zijn er geen miljoenen zoals sommige journalisten en hulpverleners willen doen geloven. Zoveel daklozen zijn er niet eens in Brazilië. Niemand weet hoeveel straatkinderen er zijn. Want hoe moet je ze tellen? Brazilië is een enorm groot en snel veranderend land.

Het tweede probleem is: wie en wat tel je mee? Is een kind dat niet naar school gaat en tot 's avonds elf uur kauwgum verkoopt - oftewel het grootste deel van de dag op straat doorbrengt - een straatkind? Dat zijn er nogal wat. Brazilië (in 1995 150 miljoen inwoners) kampt met een zeer hoog uitvalpercentage op de lagere school. Van het minimumloon, op het ogenblik omgerekend honderdzestig gulden per maand, kan geen gezin rondkomen. Dus is het normaal dat kinderen moeten meewerken. Men schat dat er 800 duizend jongens en meisjes op straat geld verdienen.

Naar mijn mening zijn straatkinderen degenen voor wie de straat hun huis is; zij leven en slapen er. Wil je weten hoeveel het er zijn, dan moet je de straat op en tellen. Sinds ik in Brazilië woon, is dat één keer gebeurd. In Rio de Janeiro ging een groep onderzoekers op meerdere dagen en steeds om de paar uur langs alle bekende plekken waar straatkinderen rondhangen. Ze kwamen uit op 797 slapende straatkinderen. Rio - met zijn voorsteden meegerekend elf miljoen inwoners - is de tweede stad van Brazilië.

Statistieken over moorden in Brazilië zijn doorgaans onbetrouwbaar. Het meest uitvoerige onderzoek in dit genre - uitgevoerd in opdracht van de vier belangrijkste particuliere hulp- en onderzoeksorganisaties - werd twee jaar geleden afgerond. De cijfers hebben betrekking op door de politie onderzochte moorden in de jaren 1991, 1992, en de eerste helft van 1993. De onderzoekers keken naar wie er was vermoord, hoe, waar en de mogelijke reden.

Hun conclusies rekenen af met stereotypen. Bijvoorbeeld dat de (zwarte) kleur een aanleiding is voor moord. Of dat vooral straatkinderen slachtoffer zijn. Om te beginnen bleek het woord 'kinderen' fout. Van de slachtoffers was 80 procent vijftien, zestien of zeventien jaar. In Brazilië worden pubers van deze leeftijd beschouwd als bijna volwassen. De slachtoffers waren vrijwel zonder uitzondering arm en woonden meestal gewoon thuis. Ze werden vlakbij huis vermoord, dat wil zeggen in een van de sloppenwijken of voorsteden. Dat bevestigde nogmaals dat het geen straatkinderen waren.

Straatkinderen leven in buurten waar geld en veel movimento (drukte) is. In Rio is dat Copacabana en het centrum van de stad. Ze hangen rond bij hotels, op het strand, bij busstations, of bij de McDonald's. In een sloppenwijk valt voor hen niet veel te bedelen en is zakkenrollen minder lucratief. Bovendien hebben alle sloppenwijken een traficante, een drugsdealer, die meestal met straffe hand orde houdt. Problemen zoals diefstal betekenen dat de politie kan komen. Dat wil hij niet hebben. Dus worden dieven de wijk uitgezet of in het uiterste geval door zijn 'soldaten' geëxecuteerd. Net als jongens die ervan worden verdacht geklikt te hebben tegenover de politie.

Volgens de onderzoekers was de drugshandel en het geweld dat daarmee samenhangt - en dus niet de doodseskaders - de belangrijkste doodsoorzaak van de pubers. In de groep kinderen (tot twaalf jaar) is het beeld iets anders. Ze zijn veruit in de minderheid. En de onderzoekers kwamen tot de schokkende conclusie dat in twee van de drie gevallen het slachtoffer was omgebracht door een familielid.

In Rio de Janeiro zijn zeshonderdtwintig organisaties en projecten die zich bezighouden met minderjarigen, crèches meegerekend. Allemaal hebben ze geld nodig en nogal wat gebruiken straatkinderen daarvoor. Buitenlandse donoren zijn dan namelijk extra gul. Er zijn veel gedreven mensen die goed werk doen, maar ik schat dat het aantal organisaties dat zich daadwerkelijk uitslooft voor straatkinderen op hoogstens een dozijn.

Vanwaar de behoefte het erger te maken dan het is? Is het omdat ze op de redactie het verhaal dan mooi vinden? Is het omdat veel mensen er toch nooit komen en het niet zelf kunnen controleren? Of is het omdat we willen kunnen zeggen: 'We hebben het hier zo slecht nog niet'?

Ik heb een kinderboek over straatkinderen geschreven, omdat ik jongeren in Nederland een realistisch beeld wilde geven van hoe het is om op straat te leven. Ze trekken zich namelijk het lot van straatkinderen oprecht aan. Als ik in Nederland ben, vragen kinderen van vrienden me de oren van het hoofd. Hoe komen ze aan eten? Gaan hun ouders hen niet zoeken? En is het echt waar dat ze worden doodgeschoten? Straatkinderen is ook een van de onderwerpen waar het Jeugdjournaal veel brieven over ontvangt.

Het Jeugdjournaal belde mij toen het ANP-bericht vorige week op het net verscheen. Of ik naar de studio kon komen. Ik moest vertellen hoe het kon dat er in Rio zoveel straatkinderen werden vermoord, over de groeiende angst onder straatkinderen, en tot slot of er wat tegen werd gedaan.

Er zijn geen 1400 straatkinderen vermoord, zei ik. Maar zo'n bericht is natuurlijk een mooie aanleiding om uit te leggen hoe het nu werkelijk zit met de straatkinderen van Rio. Dat dacht ik, als journalist. Maar nee. Het Jeugdjournaal belde een kwartier later af. Het was te complex, vond de redactie. En als het geen straatkinderen zijn, is het geen nieuws meer.

Jammer, voor al die jeugdige kijkers die nu blijven denken dat er ieder jaar meer dan duizend zwerfkinderen in Rio worden vermoord.-.