Slotenmakers en gangstermeisjes

Slotenmakers en gangstermeisjes

Kinderarbeid wereldwijd

Flaptekst
Kinderarbeid is een bijna universeel verschijnsel. In het arme Zuiden zijn de wantoestanden het meest wijdverbreid. Alleen al in India wordt het aantal kindarbeiders geschat op tussen de twintig en vijftig miljoen. Dit boek brengt het verschijnsel in kaart en laat ons kennismaken met de kinderen achter deze schrikbarende abstractie.
Drie gerenommeerde correspondenten, Evelien Groenink (De Groene Amsterdammer), Ineke Holtwijk (de Volkskrant) en Floris van Straaten (NRC Handelsblad) belichten in reportages uit respectievelijk Zuid-Afrika, Brazilië en India de omstandigheden waaronder kinderen dagelijks de kost proberen te verdienen. Het beeld wordt gecompleteerd met evocerende portretten van kindarbeiders.

Waarom zijn ze gaan werken en waarom gaan ze niet (meer) naar school? Willen ze wel naar school? Hoe zijn de arbeidsomstandigheden? Wat vinden hun ouders ervan en hoe gedragen hun bazen zich? Wat doet de regering aan de schrijnende problemen?

Floris van Straaten beschrijft onder meer het leven van de meisjes die handmatig lucifersdoosjes vervaardigen in het zuiden van India en het leven van de slotenmakertjes in Aligarh. Ineke Holtwijk gaat in op de jeugdprostitutie en de drugskoeriertjes in de grote Braziliaanse steden en stuit op opmerkelijke initiatieven tegen kinderarbeid in het afgelegen noorden. Evelien Groenink bezoekt een gangstermeisje en maakt een lange zoektocht door de uitgestrekte wijngebieden van de Kaapprovincie waar, sinds Zuidafrikaanse wijn weer ‘mag’, de productie ten behoeve van de export wordt opgevoerd met behulp van kinderarbeid.


Fragment
Angela ziet er goed uit, vindt ze zelf. Daar wil ze ook voor uitkomen. Haar lange, bijna zwarte benen steken in een hotpants waar de billen net onderuit piepen als ze loopt. Daarboven draagt ze een zwart truitje dat het begin van borsten verraadt. Haar krulhaar is gemodelleerd met gel en de lippen bewerkt ze ook tijdens het gesprek met felroze lipstick. Er zijn vriendinnen die zeggen dat ze plastische chirurgie moet doen. Siliconen om meer borst te krijgen, of iets in haar gezicht. Zelf vindt Angela dat overdreven. ‘Alle mannen zeggen dat ik een fantastisch mooi lichaam heb.’ Haar grote angst is dat ze een ziekte krijgt. ‘Aids of zo.’En dat haar lichaam lelijk, zwak en vlekkerig wordt en niemand meer naar haar omkijkt.
Angela is prostituee. Ze praat als een vrouw van veertig, maar ze is veertien en gaat statistisch gesproken nog zes jaar mee. De meeste straathoeren in Brazilië halen namelijk de eenentwintig niet. Aids, illegale abortussen, drugs en geweld verhogen de omloopsnelheid in de branche. ‘En zelfmoord,’ zegt Angela. ‘Ik ken een paar meisjes die er geen gat meer in zagen.’
(…) De meisjes die terugkeren naar de prostitutie, beschouwen zichzelf als ervaren. Ze selecteren hun klanten en weten meer van hen te profiteren, zeggen ze. (…) De naïevere twaalf- en dertienjarige meisjes in Recife gaan met Brazilianen, die de veertienjarigen met meer ervaring niet meer willen. De oudere meisjes richten zich uitsluitend op de beter betalende en (naar zij zeggen) vriendelijker buitenlanders. De meisjes met ervaring voelen zich almachtig: ze hebben al zoveel overleefd toen ze jonger waren. De onoverwinnelijkheid slaat echter om in grote kwetsbaarheid als ze denken de ware te hebben gevonden. De meeste gevallen van zelfmoord doen zich voor als ze door juist die man worden afgewezen.

(Slotenmakers en gangstermeisjes. Uit: hoofdstuk Ik verkoop mijn lichamen.)