Het geheim van de primeur

De Telegraaf had het nieuws die maandag als eerste op de voorpagina gebracht. Willem-Alexander was met zijn nieuwe liefde op een bruiloftsfeest in Leende gesignaleerd. Ze kwam uit Argentinië, was blond en beeldschoon, had een zwarte avondjurk aan en rode wijn gedronken, meldde society-columnist Stan Huygen.
Alarm bij de redactie van de Volkskrant. Gaat dit wat worden? Om tien uur ’s ochtends lag er een fax uit Amsterdam op mijn bureau in Rio de Janeiro. Met een pijl en dringende onderstrepingen. ‘Kan jij via je Argentijnse contacten antecedenten van deze familie natrekken?”
Voor een serieuze correspondent zijn dit soort even-tussendoor-vraagjes een bezoeking. Onmogelijk ondankbaar en oneindig futiel in het licht van de Ware Problemen. Zoals daar op mijn continent toen waren: een guerilla-oorlog, een machtgreep van een autoritaire president, beurzen en munten die onderuit dreigden te gaan en een nieuwe gevangenisopstand.
Maar een correspondent is een duvelstoejager. Bovendien, er is maar één kroonprins. Alles aan de kant. Vooruit, er moet gewroet worden in het leven van een familie die vermoedelijk geen publiciteit wenst, en waarvan de enige verdienste is dat haar nakomelingschap een kroonprins voor zich heeft weten te interesseren.
Fase één: de correspondent als detective. Wat zijn de aanknopingspunten? De Telegraaf heeft er drie. Een achternaam (Herzog), familie van Duitse herkomst, vader industrieel.
Herzog? De telefoongids van Buenos Aires meldt er veertien. Ze zal wel chic zijn; een vriend uit Buenos Aires geeft aan welke adressen op stand zijn. Bellen. Niks; nul. Vraag aan mijzelf: wie zegt dat het Buenos Aires is? Antwoord: niemand. Genoteerd: eventueel later uitzoeken of er mogelijk mensen met de naam Herzog bestaan in andere steden.
Weer de telefoon. Duitse herkomst: de Duits-Argentijnse Kamer van Koophandel, de Duitse school, de Duitse club, het Argentinisches Tagesblatt gebeld. Wie kent meneer Herzog, een industrieel van Duitse afkomst? Niemand.
Niemand? Hoe is dat mogelijk?
Bezinning. Dom, dom, dom. Het is natuurlijk een Duits-joodse familie. Die heb je ook veel in Argentinië en dat is een geheel ander circuit. Weer een rondje krakende telefoon. Joodse belangenorganisaties, rabbijnen. In Buenos Aires, en ook in andere steden van enige importantie.
Niets, mijn God. Het is niet mogelijk.
Het is inmiddels twee uur ’s middags. Zeven uur ’s avonds Nederlandse tijd. De telefoon gaat. De redactie in Amsterdam aan de lijn: ‘Lukt het? Kunnen we voor vanavond op wat rekenen?’
Nou ja, eh. ‘Ik weet het nog niet.”
Opnieuw een time-out achter het bureau in Rio. Wat is hier aan de hand? Gedegen zoekwerk, dat niet één snippertje oplevert.
Fase twee: de correspondent als netwerker. We kunnen veronderstellen dat het meisje in kwestie waarschijnlijk van een goede familie is. Dat is het milieu waarin ZKH zich beweegt. En rijk kent rijk, zo zit de wereld in elkaar.
Vooruit. Ik bel alle rijken met een Argentinië-connectie die ik een beetje ken, hetzij Argentijnen, hetzij buitenlanders die wat met of in het land hebben. Zakenlieden, adel, miljonairs die hun oude dag uitzitten op een estancia, Nederlanders met investeringen.
Om vier uur is er opeens een spoortje. God zij geloofd en geprezen. ‘Bariloche,’ zegt een bevriende zakenman. ‘Daar waren ze.’ Nee, hij kent haar niet. Maar ik moest maar eens rond bellen in Bariloche, ski-oord in de Andes van de welgestelden.
En dan, om halfvijf, is het bino. Voluit, en bij verrassing. Een zakenman die er eerder niet was, belt zeer attent terug. Ik leg hem mijn ultradringende vraag voor.
‘Ongelooflijk,’ zegt hij. ‘Weet je dat ik het verhaal over de romance net een uur geleden heb gehoord?’ Hij had nog bij zichzelf gedacht: sterk verhaal. ‘Van wie heb je het gehoord?’ dring ik aan. Hij noemt een naam. Hij zal bemiddelen, zegt mijn contactpersoon.
Ik bel even later het opgegeven nummer. Het is in Nederland halfelf. De tijd dringt, heel erg. De bron is in vergadering en het kan wel even duren, zegt een secretaresse.
Kwart over elf Nederlandse tijd. De wonderen zijn de wereld nog niet uit. De bron belt zelf terug. De stopwatch loopt. De eerste editie van de Volkskrant staat op het punt gedrukt te worden.
Wat doet ze? Waar woont ze? Hoe oud is ze? Wat heeft ze gestudeerd? Hoe ziet ze eruit? Waar hebben ze elkaar ontmoet? Tja, wat wil een mens weten over de nieuwe liefde van een prins als je vier minuten de tijd heb. Wat doet haar vader?
‘Haar vader is iets in de landbouw.’
‘Maar wat? Boer, grootgrondbezitter, agro-industrieel?’
‘Hij heeft belangrijke politieke posities bekleed.’
‘In een regering?’
‘Ja, in een regering.’
‘Welke?’
‘Dat kunt u beter niet opschrijven.’
‘Een militaire regering?’
Ja, dus. De correspondent als sussende manipulator. ‘Als het vandaag niet uitkomt, komt het morgen uit. Uitkomen zal het toch. Dus u kunt het net zo goed nu zeggen.’
Een tussenstand. Het is vijf voor halftwaalf in Amsterdam. Eigenlijk is er geen tijd meer. Vragen? O ja, die Duitse herkomst. Of joods-Duits.
Verwarring aan de andere kant van de lijn. Want er is niets Duits of joods aan de familie.
‘Echt niet. Derde of vierde generatie misschien.’
Mijn respondent houdt vast: ‘Het is een tradtionele katholieke familie die al meer dan een eeuw hier woont.’
Klaar. Afronden. Tikken en de boel naar Amsterdam. Daar is het halftwaalf.
Dan is het opeens de bron, die aan de journalist vraagt: ‘Wilt u niet weten hoe de familie heet?’
‘Ja, maar dat weet ik toch. Herzog. Dat stond in de Telegraaf.’
‘Zo heten ze niet. Ze heten Zorroguita.’
Grande finale: de correspondent als innig dankbaar wezen. Net niet in een heel diepe kloof gevallen. Deus é grande,zeggen ze in Brazilië. God is in Latijns-Amerika heel groot en die bron vre-se-lijk attent.
‘Kunt u dat nog even voor mij spellen?’
‘Z-O-R-R-O-G-U-I-T-A’
Jammer, de bron maakte twee spelfouten in de naam. Maar wie ben ik om dat mijn aangever te verwijten. De krant van 31 augustus 1999 had het verhaal.

(Uit: Argentinië, het land van Máxima)